Oesters? Dit zijn alle soorten en hoe ze smaken.

Duik in de wereld van ziltige avonturen en ontdek de smaken van Europese oesters, met de Zeeuwse platte oester voorop.

Oesters zijn altijd al een lokale favoriet geweest, maar hier in ons stukje paradijs kwamen vooral de platte jongens voor. Langs de uitgestrekte Europese kustlijnen lagen die langzaam groeiende oesters, hun schelpen gevormd als het perfecte logo van een bekend merk. Nu moet je weten dat deze inheemse oesters hun tijd nemen – ze worden pas geoogst na zo’n vijf jaar – en dat maakt ze zeldzaam en een tikkeltje extravagant.

Toen kwam de ‘creuse,’ oorspronkelijk uit Japan, en nam de oesterwereld over in de jaren ’60. Deze jongens groeien als kool, en hun schelpen hebben een meer afgeronde vorm, bijna zoals die van mosselen.

Maar wat maakt ze zo anders? Proef maar eens. De platte oester begint met een vleugje zoet, gevolgd door dat zilte zeegevoel, en dan eindigt het allemaal met een nootachtige knaller die nog lang blijft hangen. De creuse daarentegen, tja, die smaakt anders afhankelijk van waar hij opgroeide. Een ‘fine’ uit de Oosterschelde is puur zee, terwijl die uit het Grevelingenmeer een romiger kantje heeft. Als Nederlanders in hart en nieren gaan we meestal voor het meeste waar voor ons geld, dus creuses zijn hier de sterren op het bord.

Als we het hebben over oesters die het proeven waard zijn, laten we beginnen met een thuisfavoriet:

Zeeuwse platte oester: Oesters en Zeeland zijn onafscheidelijk, en Yerseke ambieert de titel van oesterhoofdstad van Europa. Hoewel de Zeeuwen vooral gericht zijn op massaproductie (want massa is kassa, toch?), weten fijnproevers dat deze oesters veel meer karakter hebben dan de creuses.

Lees hier waar je in Nederland zelf gratis oesters kan gaan plukken.

Nu, laten we verdergaan met onze smaakavontuur:

Bélon: Echte Belonoesters komen uit de gelijknamige rivier in Bretagne en zijn net zo Frans als stokbrood en wijn. Een groepje Nederlandse waaghalzen probeerde deze pareltjes zelfs te introduceren aan de Amerikaanse oostkust en met succes. Tegenwoordig groeien deze platte oesters dus ook voor de kust van Maine. De smaak? Zoals andere Europese platte oesters, met sterke tonen van zeewier en hazelnoten, verpakt in een gladde schaal.

Gillardeau: Ondanks dat het creuses zijn, zijn deze oesters beperkt verkrijgbaar en dus zijn ze de favoriet van veel chique restaurants. Ze hebben een unieke, stevige textuur en ruiken naar de zee met een zachte nootachtige smaak. Ze komen oorspronkelijk uit Marennes, Frankrijk, maar groeien ook in kleine hoeveelheden in Ierland.

Gillardeau oesters kan je op verschillende plekken in Nederland kopen. Bij de betere vis speciaalzaak liggen ze bijna heel het jaar rond op je te wachten. Zoals bijvoorbeeld bij Schmidt Zeevis in Rotterdam.

Zweedse platte oester: In Nederland zijn recentelijk enkele nieuwe oesterbanken ontdekt in de Noord- en Waddenzee, maar bijna alle oesters die we hier eten, zijn gekweekt. In Zweden kun je echter nog steeds in het wild platte oesters vinden langs de kust. Ze worden met de hand geoogst, wat ze behoorlijk prijzig maakt. Maar volgens de experts zijn dit de lekkerste oesters die je in Europa kunt vinden. Door hun wilde avontuur in de stromingen hebben ze een krachtige, nootachtige, bijna metalige smaak. Net als de fijnste wijn uit de kelder.

Fine de Claire: Misschien wel de beroemdste van allemaal. De Fine de Claire is een creuse met een langwerpige schelp, met zacht, lichtgekleurd vlees dat een zoute, nootachtige smaak geeft. Ze worden meestal gekweekt in Marennes, Frankrijk, en worden ingedeeld op basis van hun volwassenheid: Fine de Claire, Speciale de Claire en Pousse en Claire. Hoe rijper de oester, hoe voller de smaak.


Reacties

Plaats een reactie